Eunitha Maylor emigreert in 1920 samen met haar man vanuit Barbados naar Curaçao. Ze wil weg uit haar moederland als ze te weten komt dat haar vader zich onrechtmatig een suikerrietplantage heeft toegeëigend. Ze kan zich hier niet mee verenigen, temeer omdat ze persoonlijk bedreigd wordt. Haar man krijgt een baan bij de olieraffinaderij in Curaçao.
Het thuisraken verloopt moeizaam voor Eunitha. De afwijkende taal, kleding en gewoontes, de Curaçaoënaar kijkt daar neerbuigend naar. De bijnaam ‘bedji’ die ze opgeplakt krijgt geeft dit treffend aan. Stigmatisatie, discriminatie, en de naweeën van het slavernijverleden spelen haar parten. Eunitha’s man verlaat haar en trekt in bij een lokale vrouw. En alsof dat nog niet voldoende was zoeken de nazaten van de rechtmatige eigenaar van de suikerrietplantage haar in Curaçao op.
Gaat ze zich uiteindelijk thuis voelen in het nieuwe moederland? Welke rol speelt de ‘johnny cake’ hierin?
Hoe loopt het af met de suikerrietplantage?