De rol van de Groningse kinderrechter bij ondertoezichtstelling 1922-1995

Beperking van ouderlijk gezag door de overheid

Ingrid van der Bij – de Puij

ISBN 9789088508981 | 386 Pagina's | Paperback | 1ste druk

Omschrijving

In 1938 schreef Willem Wolter Feith, kinderrechter in Groningen, aan de burgemeester van Delfzijl dat daar meerdere “gevallen meisjes” onder toezicht waren gekomen en vroeg daarbij of de gemeentepolitie zou “kunnen worden uitgebreid met iemand die wordt belast met de bescherming van jonge vrouwen en meisjes.” Een kinderrechter moest destijds veel kunnen en over veel eigenschappen beschikken: pedagogisch inzicht, belangstelling voor het kind, kennis van kind en milieu, een praktische instelling en sociaal voelend. Vooral moest hij met hart en ziel zijn werk doen: de kinderrechter moest het kind begrijpen want het moest gaan om het belang van het kind.

Van 1922 tot en met 1995 was de kinderrechter belast met besluiten tot ondertoezichtstelling en met de uitvoering van deze kinderbeschermingsmaatregel. Ingrid van der Bij onderzocht de rol van kinderrechters bij ondertoezichtstelling in deze periode in het arrondissement Groningen. Belangrijkste bron waren de dossiers van de kinderrechters. Een van haar conclusies is dat de kinderrechter naast het uitspreken van rechterlijke beslissingen streefde naar verbetering van pedagogische omstandigheden voor de kinderen met wie hij te maken had.