Ontwikkelingsgericht onderwijzen aan 4- tot 12-jarigen

Hoe word ik pedagogisch-didactisch competent?

Frits Faber  

ISBN 9789088507991 | 160 Pagina's | Paperback | Eerste druk, 2018

Omschrijving

Een goede entertainer wordt als zodanig geboren, maar een goede leerkracht niet. Die moet hard werken om de kunst van het onderwijzen onder de knie te krijgen. Drs. Frits Faber heeft meer dan vijftien jaar ervaring met het opleiden van leerkrachten op Curaçao, vaak onder extreem moeilijke omstandigheden: geen goed geoutilleerde onderwijswerkplaats, een leeg theorielokaal, praktijkscholen die over weinig materiaal beschikken, Nederlands onderwijs in het Papiamento of opleiden middenin een innovatieproces.

Om onder die omstandigheden goede leerkrachten op te leiden, moet je naar het fundament van onderwijzen: de concrete acties van een leerkracht die leerlingen wegwijs maakt in de wereld. Onderwijs op de millimeter. Geen gebruik kunnen maken van dure middelen en methoden, want die zijn er niet. Een klerenhanger met twee knijpers in plaats van de dure weegschaal uit de catalogus. Onderwijs met een bord en een krijtje, en ‘de wereld’ zoals die zich aan ons voordoet.

Drs. Frits Faber heeft dat onderwijzen tot op het bot geanalyseerd en omgezet in een trainingsprogramma waarmee zelfs de meest hardleerse studenten zich in de onderwijskunst kunnen ontwikkelen. Dat programma wordt in dit boek uitgewerkt en aangeboden. Nog voordat de studenten bij een mentor komen, krijgen zij een praktische training waarin ze onder begeleiding van hun docenten, samen met kinderen, op zoek gaan naar goede onderwijsvormen. Die kinderen vinden het prachtig om te mogen helpen. Het is zelfs gebeurd dat een kind de armen om de hals van een student sloeg bij wie alles mislukte, en zei: ‘Het is niet erg hoor juf, de anderen hebben het ook geleerd. Je moet het gewoon weer proberen!’

Vijf studenten geven elk tien lesjes, die zij bij elkaar observeren en met elkaar bespreken. Elk lesje om te experimenteren met een deelcompetentie van goed onderwijzen. Dat zijn vijftig onderwijservaringen voordat zij bij een mentor komen. Van tien keer discussiëren over je eigen lesje leer je meer dan van tien werkcolleges of observaties. Door het werken met een groepje van acht kinderen leer je naar kinderen kijken en niet naar een klas. Je hoeft ook niet bang te zijn dat het een chaos wordt, want acht kun je overzien en je hebt altijd de hulp van je collega’s bij de hand. Een student wilde bijvoorbeeld acht platen laten zien. Hij kreeg spontaan de hulp van drie collega’s die ook elk twee platen vasthielden. De nabespreking ging natuurlijk wel over de organisatie van die les.

Een praktische hulp, met name voor diegenen die moeite hebben om de kunst van het pedagogisch-didactisch handelen onder de knie te krijgen.