Regelmatig verschijnen in de media berichten over verwarde personen die niet de zorg krijgen die ze nodig hebben. De zorg voor mensen met (meervoudige) psychiatrische problemen komt pas op gang als de vraag past in het aanbod. Gert Schout, auteur van het boek Mijn broeders hoeder. Naar een gezelschappelijke psychiatrie, maakt in dit artikel duidelijk wat het onderscheid is tussen een relationele benadering van zorg en een transactionele benadering. Hij laat zien hoe een transactionele benadering leidend kon worden in een stelsel dat door de jaren heen door marktwerking en maakbaarheidspretenties is gevormd.
In verschillende publicaties maak ik een onderscheid tussen een relationele benadering van zorg en een transactionele benadering. In die eerste benadering staat de persoon en de relatie die ik ermee heb centraal. Je hebt er bij wijze van spreken buikpijn van als het niet goed gaat met iemand die aan jouw zorg is toevertrouwd. Die relationele betrokkenheid strekt zich ook uit tot het aan jouw toebedeelde werkgebied en de collega’s van aanpalende voorzieningen. Een transactionele benadering daarentegen gaat gepaard met een voorwaardelijke, procedurele betrokkenheid van hulpverleners. De zorg komt pas op gang als de vraag past in het aanbod; als aanbestedingen, beschikkingen of indicaties aflopen, stopt de zorg. Procedures, convenanten, signaleringsinstrumenten en ketenregie moeten de storingsgevoeligheid van deze benadering compenseren. Hoe weinig succesvol die transacties zijn, is te zien in de stroom berichten in de media over verwarde personen die niet de zorg krijgen die ze nodig hebben. De impotentie van dit technocratische bestel vormt mede het bestaansrecht van een vangnet als de oggz.
In mijn nieuwste boek “Mijn broeders hoeder” laat ik zien hoe deze transactionele benadering leidend kon worden in een stelsel dat door de jaren heen diepgaand door marktwerking en maakbaarheidspretenties is gevormd. In tegenstelling tot landen met een groot platteland, zijn in een dichtbevolkt land als Nederland hulpverleners en voorzieningen altijd dichtbij. In marktgerichte contexten ligt het voor de hand om de ernst en ingewikkeldheid van problemen op te kloppen om zo indicatieruimte te verkrijgen. Om de deskundologische expansie hiervan af te remmen, is er een stelsel op gang gekomen dat toegang tot zorg verbindt aan medische diagnostiek, met als gevolg een omvangrijke medicalisering van levensproblemen. Disciplines die kunnen ‘behandelen’ en verhelpen kwamen bovendrijven, terwijl disciplines die zich erop richten om mensen zichzelf en elkaar te laten helpen, devalueerden in status en krompen in aantal. Behandelen kreeg de boventoon, terwijl de vraag hoe je je leven samen met anderen weer op de rit kon krijgen, ondergeschikt werd. Het sinds 1972 ontstane stelsel produceert breukvlakken door tijdelijke indicaties en intermitterende financiering, waar vooral mensen met langdurige en meervoudige problemen onder lijden. Door verregaande opdeling van het werkveld in echelons, categorale voorzieningen en hyperspecialisering, geeft het mensen met meervoudige problematiek als een hete aardappel aan anderen door. Niemand voelt zich verantwoordelijk, iedereen heeft een geldig excuus om niet te tekenen voor de omvattende zorg die juist de meest kwetsbare mensen nodig hebben. Wie wat beter kijkt naar de zaken van Kenzo K., de kruisboogschutter,van Bart van U., de moordenaar van minister Borst-Eilers, van John S., Udo D. en vele andere zogenaamde verwarde personen, ziet dat de signalen dat het niet goed ging, al veel langer zichtbaar waren in de deelsystemen van het stelsel. Het ontbrak en ontbreekt echter aan gebiedsgerichte, continue, omvattende, assertieve en gezelschapsvormende hulp; zodra de indicaties aflopen, stopt de zorg. Waar in landen met een groot platteland relaties de drijvende kracht zijn, zijn het bij ons transacties. Waar transacties regeren verschijnen inwisselbare zorgaanbieders, inwisselbare hulpverleners, met alle deskundologie en medicalisering die daarbij horen. Meer geld, meer GGZ, meer bedden of meer bemoeizorg zal niet helpen zolang dit stelsel zo blijft.
Verwarde mensen zullen er altijd zijn, maar het responsieve vermogen van drie systemen maakt of er een maatschappelijk probleem ontstaat. De combinatie van een (1) sterke civil society en een (2) sterke eerste lijn heeft nauwelijks psychiatrie nodig. Een (3) sterke psychiatrie die gebiedsgericht betrokken is en die hulpverleners veel vrijheid geeft om te doen wat zij nodig vinden in hun vaste werkgebied, heeft op haar beurt geen oggz nodig. Een sterke psychiatrie verwelkomt mensen met langdurige en meervoudige problemen waaronder psychiatrische en durft tegen mensen met ‘lichte’ problemen te zeggen dat het om verschillende redenen beter is om, in de omgang met psychische problemen, de afhankelijkheid van therapeuten, psychologen en psychiaters niet op gang te brengen en met anderen iets te beginnen dat onderlinge steun geeft. De roep om meer psychiatrie, meer bedden en meer bemoeizorg zou geleidelijk aan verstommen.
Over hoe we dit wenkend perspectief dichterbij kunnen brengen houden we een congres op 12 maart in Zwolle. Zie: https://www.psychiatriecongres.nl/